Koolhydraat metabolisme

Het belangrijkste koolhydraat in ons lichaam in glucose. We doen er alles aan om de bloedglucose spiegel zo stabiel mogelijk te houden op een niveau van 3,5 tot 5,0 mmol/l. Na het eten stijgt de bloedglucose spiegel door opname van glucose uit de darm.
Te hoge pieken gevolgd door een te sterke daling in de bloedglucose spiegel na het eten is ongezond. Dit heet ook wel glucose variabiliteit. We hebben een nieuwe test ontwikkeld door de hoeveelheid glucose en lactaat eenvoudig in speeksel na elke maaltijd te meten als maat voor de bloedglucose variabiliteit (geen bloedprikken voor nodig).

Langdurig te hoge glucose variabiliteit leidt uiteindelijk tot insuline resistentie wat daarna over kan gaan in diabetes type 2. De mate van insuline resistentie kunnen we vaststellen door gelijktijdig nuchter glucose en insuline te meten en de HOMA-IR index uit te rekenen. In geval van diabetes type 2 is de nuchtere bloedglucose waarde gestegen boven 7,0 mmol/l en is insuline altijd verhoogd.

Door ook gelijktijdig lactaat, 3-hydroxyboterzuur en vertakte keten aminozuren te meten krijgen we ook inzicht in vorming van nieuw glucose uit glycogeen, vet of aminozuren. De lever is namelijk in staat zelf glucose te maken (gluconeogenese) als er een (vermeend) tekort is of dreigt. Insuline resistentie is zo’n metabole verstoring waarbij er een vermeend glucose tekort is en er grote hoeveelheden nieuw glucose wordt bij gemaakt, terwijl er in werkelijkheid al meer dan genoeg is.

Bij stress (of gebruik van bepaalde medicijnen) wordt er continu nieuw glucose aangemaakt omdat cortisol (stress hormoon) het lichaam in continue staat van actie stelt (fight, flight, freeze), waar veel glucose voor nodig is. Maar bij stress zitten we juist veel op de bank en wordt deze nieuw gemaakte glucose helemaal niet verbruikt; overmatige stress kan uiteindelijk zelfs leiden tot diabetes type 2.

Het koolhydraat metabolisme, maar ook de hieronder beschreven vet- en eiwit metabolisme worden in belangrijke mate aangestuurd door schildklier hormonen, vooral T3. Omgekeerd bepalen de metabole processen, vooral bij metabole ontregelingen, de hoeveelheid benodigd schildklier hormoon. Het meten van TSH, FT3, FT4 en rT3 zijn dan ook een onmisbaar onderdeel voor het correct beoordelen van het energie metabolisme. Een optimale jodium status is van groot belang voor een gezond functionerende schildklier.

Door bovenstaande testen gelijktijdig te meten kunnen we vaststellen of u een gestoord koolhydraat metabolisme heeft en wat de oorzaken zijn.